In 1963 dacht de Nederlandse regering dat kernenergie over enkele tientallen jaren overige energiebronnen zoals aardgas zou verdringen. Met dat idee in het achterhoofd werd besloten een aanzienlijk deel versneld aan het buitenland te verkopen. In 1974 bleek gezien de maatschappelijke weerstand tegen kernenergie deze verwachting echter niet uit te komen en werd het kleine-veldenbeleid geïntroduceerd. De NAM ging op zoek naar andere (kleinere) gasvelden, zodat het gas uit het Groningen-veld minder snel op zou raken. Dit nieuwe beleid bleek succesvol en er werden tientallen nieuwe gasvelden gevonden. Ongeveer een derde van ons gas komt nu uit het Groningen-veld, de rest halen we uit kleinere velden en uit het buitenland.
Het leveren van aardgas uit kleine gasveldjes is relatief moeilijk. Dit komt omdat de samenstelling van het gas bij ieder veld weer anders is. Maar de apparatuur in Nederland, thuis of op het werk, is maar op één samenstelling afgesteld. Namelijk die van Groningen. Daarom worden de verschillende gasstromen gemengd met het gas uit dit grote gasveld. We moeten daarom nu vooral winnen uit de kleinere locaties, omdat we nu nog voldoende 'menggas' uit Groningen hebben. De ondergrondse opslagen in Langelo en Grijpskerk helpen de NAM daarbij. Want hierdoor wordt het mogelijk non-stop te produceren uit de kleine velden, ook als er eigenlijk te weinig vraag is naar gas.
De NAM produceerde in 2009 53,3 miljard kubieke meter aardgas (2008: 57,9 miljard m3). Het Groningen-gasveld neemt hiervan 37,6 miljard m3 voor zijn rekening, wat neerkomt op zo'n 70%. (2008: 39,4 miljard m3). De gasproductie door de NAM uit kleine gasvelden op het land en offshore bedroeg in 2009 15,7 miljard m3 (2008: 18,5 miljard m3).
Op onderstaande kaart is te zien waar in Nederland, op het vasteland en op de Noordzee, olie en gas voorkomen. De blokken zijn concessies, een soort vergunning van de overheid, voor het winnen van aardgas of aardolie.