Jump menu

Main content |  back to top

Bij het produceren van olie komt ook water en wat aardgas mee naar boven. Deze stoffen moeten van elkaar worden gescheiden en apart worden vervoerd. Deze scheiding gebeurt in Schoonebeek met een oliebehandelingsinstallatie en en het transport met een bovengronds leidingentracé van zo'n 15 kilometer.

In een efficiënte gasgestookte warmtekrachtcentrale wordt ultrapuur water (extreem schoon water) tot stoom verhit. Er wordt gebruik gemaakt van ultrapuur water om schade aan pompen en turbines door afzetting van ketelsteen (kalkaanslag) te voorkomen. De stoom gaat door bovengrondse buizen naar het Schoonebeek-veld. Daar wordt het in het gesteente geïnjecteerd, zodat de olie vloeibaarder wordt en NAM het gemakkelijker kan winnen.

De warmte die vrijkomt in de warmtekrachtcentrale wordt gebruikt om elektriciteit op te wekken; dit noemen we warmtekrachtkoppeling. Een deel van de elektriciteit gebruiken we zelf, de rest gaat naar het elektriciteitsnet. Hiermee kan een derde van alle Drentse huishoudens van stroom voorzien.

Pijpleidingen bij nam

Oliebehandelingsinstallatie 

De olie die wordt opgepompt, gaat naar de oliebehandelingsinstallatie. Daar wordt het gescheiden van het water en gas dat is meegekomen. De aardolie gaat via ondergrondse pijpleidingen naar de raffinaderij van BP in het Duitse Lingen, zo’n 30 km van Schoonebeek Deze raffinaderij verwerkt olie met een hoog paraffinegehalte, zoals de olie uit het Schoonebeek-veld. Het productiewater gaat via een ondergrondse leiding naar de waterinjectielocaties in Twente, waar het in lege aardgasvelden wordt gepompt. Het aardgas dat bij het winnen van aardolie vrijkomt, wordt op locatie afgevangen en gaat naar de warmtekrachtcentrale. Daar dient het meteen als brandstof. 

Pijpleidingen 

De stoom van de warmtekrachtcentrale gaat via pijpleidingen naar de 18 oliewinlocaties in Schoonebeek en de gewonnen aardolie gaat via pijpleidingen naar de oliebehandelingsinstallatie. Die leidingen hebben een totale lengte van 15 kilometer en zijn bovengronds aangelegd. Dit laatste heeft te maken met de hoge temperatuur van de stoom (300 °C) en de olie (200 °C). Daardoor ondergaan de leidingen grote temperatuurverschillen en hebben ze ruimte nodig om te kunnen uitzetten en krimpen. De pijpleidingen liggen op betonnen blokken, zogenaamde sleepers.