Elke NAM-locatie is een mijnbouwlocatie. Dat betekent dat er stoffen uit de ondergrond naar boven worden gehaald. De meeste van die stoffen gebruiken wij bovengronds nuttig. Aardgas is daar een goed voorbeeld van.

Boorspoeling

Voordat aardgas (of olie) uit de grond kan worden gehaald, moet er een kilometers lange put worden geboord. Het boren zelf duurt op zich niet lang: binnen enkele weken is de put wel klaar. De meeste putten zijn geboord in de jaren 60, 70 en 80. Tijdens het boren van gas- en olieputten wordt boorspoeling gebruikt. Boorspoeling is een kleiachtige, dikke vloeistof die in het boorgat wordt rondgepompt om het boorgat open te houden en om het boorgruis (bodemmateriaal dat wordt weggeboord) mee naar boven uit het boorgat te halen. Om de spoeling zwaarder te maken wordt bariumsulfaat toegevoegd. Zowel barium als sulfaat zijn ook van nature in de bodem aanwezig.

Aardgascondensaat

Met het aardgas uit de diepe ondergrond wordt ook aardgascondensaat mee naar boven genomen. Dit is een benzineachtige vloeistof waar benzeen in aanwezig is. Deze stof willen we niet in de bodem hebben.

Productiewater

Overal in de ondergrond, diep of ondiep, zit water. Ook op 3 kilometer diepte, waar het aardgas zich doorgaans bevindt. Bij de productie van aardgas, komt er daarom ook water mee naar boven. Bij mijnbouw wordt dat productiewater wordt genoemd. In dit water bevat vaak zouten en zware metalen die op drie kilometer diepte van nature voorkomen. Ook al zijn het natuurlijke metalen, deze stoffen willen we niet in de biosfeer hebben.

Bodembescherming: het voorkomen van verontreininging

Met de inwerkingtreding van de Wet bodembescherming 1987 is het veroorzaken van bodemverontreiniging verboden. Dit wordt het zorgplichtbeginsel genoemd: iedereen die handelingen verricht waardoor de bodem kan verontreinigen moet maatregelen nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om dit te voorkomen.

Nieuwe verontreinigingen

Gedurende de bedrijfsvoering van NAM mag de bodem niet verder verontreinigd raken. De wettelijke verplichting tot de zorg voor de bodem is vastgelegd in artikel 13 van de Wet bodembescherming. Veelal is de provincie het bevoegd gezag bij bodemverontreinigingen.

Oude verontreinigingen

Op sommige NAM-locaties is de bodem in het verre verleden verontreinigd geraakt bij mijnbouwwerkzaamheden. Zo’n verontreiniging is veelal ontstaan door morsingen van vloeistoffen uit een installatie of tijdens werkzaamheden zoals het boren van de gasput.

Saneren van locaties

Om te kunnen saneren, moeten we weten wat er schoongemaakt moet worden. De grootste bronnen van bodemverontreinigingen van NAM-locaties zijn de volgende: